Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
Wat regelt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
Het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting) stelt eisen aan de maximale ammoniakemissie uit dierenverblijven en is de invulling van het algemene emissiebeleid in Nederland. Het besluit bepaalt dat dierenverblijven, waarvoor emissiearme huisvestingssystemen beschikbaar zijn, emissiearm uitgevoerd moeten zijn. Hiervoor zijn in het Besluit maximale emissiewaarden opgenomen. Het besluit huisvesting is op 1 april 2008 in werking getreden.
Waarover gaat nu de discussie?
In het Besluit huisvesting zijn voor de verplichting van het emissiearm aanpassen van stallen overgangstermijnen opgenomen. Voor de varkens- en in veel gevallen de pluimveehouderij geldt dat op 1 januari 2010 de overgangstermijnen aflopen. Juist hierover gaat nu de discussie.
Wat was namelijk het geval? Tijdens de parlementaire behandeling van de wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij door de Tweede Kamer op 1 november 2006 heeft de Kamer (middels een aangenomen motie ingediend door Koopmans en Oplaat) de regering verzocht de overgangstermijn voor aanpassing van bestaande stallen aan de maximale emissiewaarden uit het Besluit te verschuiven van 1 januari 2010 naar 1 januari 2013. Dan zouden immers de overgangstermijnen van het Besluit huisvesting en die van dierenwelzijnregelgeving samenvallen.
De toenmalige staatssecretaris van VROM (Pieter van Geel) gaf toen aan het uitstel alleen te willen geven indien daarmee het behalen van de emissiedoelstellingen in 2010 niet in gevaar zou komen. Destijds kon hij daarover geen besluit nemen en zegde toe dat in 2008 een besluit hierover genomen zou worden.
Dit besluit is nu onlangs genomen. In een brief aan de Tweede kamer van 6 november geeft minister Cramer aan, geen versoepelingen van het ammoniakbeleid uit te kunnen voeren omdat dan niet voldaan kan worden aan de emissie-eisen. Indien bestaande stallen later aangepast zouden worden, neemt de emissie toe met 7 kiloton per jaar en deze marge is er volgens haar niet.
LTO Nederland stelt dat deze brief als een volslagen verrassing komt omdat er nog een discussie liep met het ministerie. Met het ministerie was besproken dat er nog een bestuurlijk overleg zou plaatsvinden.
Eind januari 2009 heeft er een nieuw overleg plaatsgevonden. In principe stelt de minister dat uitstel niet mogelijk is. Tegelijkertijd echter gaf de minister aan dat haar duidelijk is geworden dat een aantal veehouders er niet in zal slagen om de benodigde stalaanpassingen voor 1 januari 2010 te realiseren. Als realisatie niet voor 1 januari 2010 mogelijk is, zal de veehouder voor die deze datum een plan van aanpak op moeten stellen waarin opgenomen is welke aanpassingen plaats gaan vinden en binnen welke termijn. In april zou meer duidelijkheid komen over het plan van aanpak. De sector en de Vereniging Nederlandse gemeentes zijn hierbij in ieder geval betrokken.
Wat zijn nu de maximale emissiewaarden?
Tabel 1 geeft de maximale emissiewaarden en de traditionele emissiewaarden aan voor een aantal relevante diercategorieën welke genoemd worden in het Besluit.
|
diercategorie |
maximale emissiewaarde (kg NH3) |
traditionele emissiewaarde (kg NH3) |
|
kraamzeugen |
2,9 |
8,3 |
|
guste/dragende zeugen |
2,6 |
4,2 |
|
gespeende biggen |
0,23 |
0,6 / 0,75 |
|
vleesvarken/opfokzeugen |
1,4 |
2,5 / 3,0 / 3,5 / 4,0 |
|
melk- en kalkoeien ouder dan 2 jaar |
9,5 |
9,5 / 11,0 |
|
ouderdieren van vleeskuikens |
0,435 |
0,58 |
|
vleeskuikens |
0,045 |
0,08 |
Tabel
1: maximale en traditionele emissiewaardenVoor opfokhennen en -hanen van legrassen jonger dan 18 weken en legkippen en grootouderdieren van legrassen gelden overigens ook maximale emissiewaarden.
Voor andere diercategorieën die niet genoemd zijn zoals jongvee, zoogkoeien, schapen, geiten en dergelijke gelden geen maximale emissiewaarden en voldoet een traditionele huisvesting.
Uitgangspunt bij het bepalen van de maximale emissiewaarde op bedrijfsniveau is de vergunning. In de voorbeelden wordt hier op terug gekomen.
Wat houdt nu het intern salderen in?
Oorspronkelijk moest ieder afzonderlijke stal voldoen aan de maximale emissiewaarden. Op een bedrijf waren bijvoorbeeld twee stallen met ieder 1.000 vleesvarkens. Beide stallen zouden moeten voldoen aan de maximale emissiewaarde van 1,4 kg NH3 per varken.
Met het zogenaamde intern salderen, waarvoor het Besluit huisvesting gewijzigd is, is het mogelijk om een stal verder aan te passen dan nodig (dus een lagere emissiewaarde dan 1,4, feitelijk alleen mogelijk met chemische luchtwassers met 95% emissiereductie) en deze extra reductie te gebruiken om een andere stal traditioneel te laten. Ook dit wordt nog verder uitgewerkt in voorbeelden.
Gelden de overgangstermijn van 1 januari 2010 voor alle diersoorten?
Deze overgangstermijn geldt alleen voor de diercategorieën varkens en pluimvee (gedeeltelijk). Voor melkvee is helemaal geen overgangstermijn vastgesteld. Voor ouderdieren van vleeskuikens en vleeskuikens loopt de overgangstermijn af op 1 januari 2012 indien de (eerste) vergunning voor het huisvestingsysteem is verleend na 1 januari 1997.
Gelden de overgangstermijnen ook voor kleine bedrijven?
Voor kleine bedrijven loopt de overgangstermijn af op 1 januari 2013. Tabel 2 geeft aan bij welke maximale dieraantallen per categorie de overgangstermijn voor die categorie 1 januari 2013 is.
|
diercategorie |
aantal dieren |
|
kraamzeugen |
100 |
|
guste/dragende zeugen |
geen ondergrens |
|
gespeende biggen |
360 |
|
vleesvarken/opfokzeugen |
250 |
|
ouderdieren van vleeskuikens |
10.000 |
|
vleeskuikens |
25.000 |
Tabel
2: aantal dieren per categorie overgangstermijn 1 januari 2013De overgangstermijn wordt per diercategorie bepaald. Op bijvoorbeeld een varkensbedrijf met 740 zeugen en 240 opfokzeugen geldt dat de overgangstermijn voor de opfokzeugen pas op 1 januari 2013 afloopt. Voor de zeugen geldt de "normale" regeling van 1 januari 2010. Ook indien er minder dan 100 kraamzeugen vergund zijn, geldt dat de overgangstermijn voor deze kraamzeugen op 1 januari 2013 afloopt.
Melkvee
Tijdens de behandeling van de Wet ammoniak en veehouderij door de Tweede Kamer in 2001 is een motie (motie Ter Veer) aangenomen om in het Besluit huisvesting geen emissie-eisen voor melkvee op te nemen wanneer er beweiding plaatsvindt en het melkureum-getal beneden een bepaalde waarde ligt. Hierdoor zijn geen maximale emissiewaarden opgenomen indien het vee beweid wordt. Immers, de maximale emissiewaard eis gelijk aan die van de traditionele emissiewaarde bij beweiden.
Met de sector is enkele jaren later afgesproken dat het melkureum-getal in 2010 niet hoger zou zijn dan 20 mg per 100 kg melk. Echter, sinds 2003 is geen daling van dit getal opgetreden. Daarom schrijft de Minister aan de Kamer dat de melkveehouderij nadrukkelijk in beeld is om een bijdrage te leveren aan de verlaging van de generieke ammoniakemissie. Zeker omdat de sector ongeveer de helft van de emissie voor haar rekening neemt.
De maximale emissiewaarden zullen dan ook aangepast kunnen gaan worden. Daarnaast wordt de sector aangesproken om alsnog via het voer- en ureumspoor de ammoniakuitstoot verder te verlagen.
Welke mogelijkheden zijn er nu om aan het Besluit huisvesting te voldoen?
Goed beschouwd zijn er drie mogelijkheden om te voldoen aan het Besluit huisvesting
1. Investeren in emissiearme stallen (geheel of gedeeltelijk met toepassing van interne saldering met en zonder uitbreiding van het aantal dieren). Dit zal het meest toegepast worden.
2. Terugbrengen van de dieraantallen tot de grens voor kleine bedrijven. Voor een aantal bedrijven kan dit zeker een goede optie zijn, bijvoorbeeld bedrijven met melkvee en een kleine vleesvarkenstak.
3. De meest drastische mogelijkheid, stoppen met het bedrijf.
Bedrijven voor die kiezen optie 1 kunnen in een aantal fases onderscheiden worden. Dit zijn:
1. Vergunning is aangevraagd en feitelijk voldoet het bedrijf niet aan het besluit.
2. Vergunning voldoet aan het Besluit huisvesting, maar feitelijk is er nog niets gerealiseerd (de werkelijke bedrijfssituatie is niet in overeenstemming met de vergunning.
3. Vergunning en bedrijf voldoen aan het Besluit huisvesting.
Alleen de laatste groep voldoet uiteraard volledig. Wat de gevolgen kunnen zijn voor de bedrijven die in de eerste twee groepen verkeren is niet duidelijk. Wel is het zo dat dit hele verhaal nu al geldt voor IPPC-bedrijven en dat veel van deze bedrijven nog in fase 1 en 2 zitten.
Rekenvoorbeelden
1. Bedrijf met 2.000 vleesvarkens in 2 stallen met ieder 1.000 varkens met een traditionele emissie van 2,5 kg NH3.
De maximale ammoniakemissie bedraagt 2.000 vleesvarkens x 1,4 = 2.800 kg. Dit kan bereikt worden middels intern salderen door één stal te voorzien van een chemische luchtwasser 95% met een emissiewaarde van 0,13 kg NH3.
De ammoniakemissie wordt dan 1.000 x 2,5 + 1.000 x 0,13 = 2.630 kg. Dit is lager dan de maximale emissie zodat voldaan wordt aan het Besluit huisvesting.
2. Bedrijf met 2.000 vleesvarkens in 2 stallen met ieder 1.000 varkens met een traditionele emissie van 3,5 kg NH3.
De maximale ammoniakemissie bedraagt 2.000 vleesvarkens x 1,4 = 2.800 kg. Eén stal wordt voorzien van een chemische luchtwasser 95% met een emissiewaarde van 0,13 kg NH3.
De ammoniakemissie wordt dan 1.000 x 3,5 + 1.000 x 0,13 = 3.630 kg. Deze is hiermee nog te hoog. Hier wordt duidelijk dat de uitgangsituatie van groot belang is.
3. Bedrijf met 500 vleesvarkens in 2 stallen met ieder 250 varkens met een traditionele emissie van 2,5 kg NH3. Bedrijf wordt uitgebreid met 1.400 vleesvarkens.
De maximale ammoniakemissie bedraagt 1.900 vleesvarkens x 1,4 = 2.660 kg. Dit kan bereikt worden door de bestaande stallen traditioneel te laten en de nieuwe stal te voorzien van een gecombineerde luchtwasser (intern salderen).
De ammoniakemissie wordt dan 500 x 2,5 + 1.400 x 0,56 = 2.034 kg. Dit is lager dan de maximale emissie zodat voldaan wordt aan het Besluit huisvesting.
4. Bedrijf met 150 stuks melkvee en een vleesvarkenstak met 260 vleesvarkens met een traditionele emissie van 3,5 kg NH3.
Dit bedrijf zou kunnen besluiten om de vergunning voor 10 vleesvarkens in te trekken. In dat geval geldt de overgangstermijn pas op 1 januari 2013. Voor het melkvee geldt geen overgangstermijn.
Varkensbesluit 2013
Op 1 januari 2013 lopen ook de overgangstermijnen van het Varkensbesluit af. Gevolg hiervan is dat vanaf dat moment voldaan moeten worden aan onder andere groepshuisvesting voor dragende zeugen, (veel) ruimere oppervlaktes per dier en maximale spleetbreedte in de roosters van 18 mm voor vleesvarkens.